Kleurpotlood

Kleurpotlood

Na de Eerste Wereldoorlog merkte het Duitse bedrijf Faber dat het ook in Duitsland populair werd om kinderen bonte tekeningen te laten maken met gekleurd waskrijt, een Amerikaanse uitvinding uit 1903. Men besloot in 1924, toen de Duitse economie zich weer hersteld had van de hyperinflatie, uit de markeerpotloden die men al produceerde een nieuw product te ontwikkelen: een reeks van kleurpotloden in zestig kleuren, speciaal voor het tekenonderwijs. Wat later dat jaar begon in Zwitserland het bedrijf Caran d'Ache ook met de productie van kleurpotloden, in 1925 gevolgd door het Duitse Schwan Stabilo.

Het gebruik van kleurpotloden werd in Europa al snel een rage en is tot nu toe een vast onderdeel gebleven van de cultuur. In Amerika daarentegen heeft het waskrijt altijd zijn voorsprong behouden en wordt - ook door oudere kinderen - veel meer gebruikt. In Europa werd het product van begin af aan gepromoot als een middel tot disciplinering en ontwikkeling van de motoriek bij het vroege schoolonderwijs: het bekende "netjes binnen de lijntjes kleuren", waarvoor speciale kleurboeken werden ontwikkeld. De sociale distinctie kwam tot uitdrukking in de aankoop van dit tekenmateriaal: het bezit van de duurste Caran d'Ache dozen was een statussymbool. In het Russisch is om die reden de merknaam soortnaam geworden en noemt men een potlood een karandasj. In Japan zag de overheid zich in precies hetzelfde jaar toen het kleurpotlood verscheen geconfronteerd met een ander nieuw tekenmateriaal: het oliepastel dat werd gebruikt als middel tot zelfexpressie op de particuliere vrije scholen. Als tegenwicht omarmde de conservatieve regering, toch altijd al sterk onder Pruisische invloed, het nieuwe Duitse product om de normale schoolleerling te redden van de bandeloze (en veel te dure) oliepastel. Deze tegenstelling zou tot de Jaren Zestig duren en het kleurpotlood zou in Japan synoniem worden met staatsdwang en armoede.